Gelassenheit
Een lieveheersbeestje zont naast me op een blaadje.Zou ze weten hoe mooi ze is?Zou ze weten dat haar stippen zijn geteld?Even weerspiegelt de hemel op haar schild,zo rood als een druppel bloed.
Gedichten raken de ziel en spreken het hart van je geloof aan. Gebruik ze tijdens diensten of laat je gewoon persoonlijk inspireren.
Soms opent het alledaagse onverwacht een deur.
Een vogel op een tak.
Een steen.
Een muzieknoot.
Regen op open aarde.
Een weg waarvan de lijnen verdwijnen.
Een windruis die een deur sluit.
Deze gedichten ontstaan waar het zichtbare raakt aan wat zich niet volledig laat benoemen.

Mystagogie voert naar het geheim, niet door het te verklaren, maar door dichterbij te komen.
Daarom geven deze gedichten niet op iedere vraag een antwoord. Ze zoeken, luisteren en kijken. Naar wat breekt en wat blijft. Naar rouw en schoonheid, genade en verlangen, stilte en muziek, geloof en twijfel.
Steeds klinkt daarin de vraag waar God zich laat vinden in het gewone leven.

Hoop betekent hier niet dat zwaarte verdwijnt.
Soms breekt iets.
Soms raakt een mens de richting kwijt.
Soms blijft alleen stilte over.
Juist daar kan iets oplichten.
Een scherf kan de sterren weerspiegelen.
Door hagel kan licht breken.
Wat dood leek, kan opnieuw tot leven komen.
Een requiem kan eindigen in een buigend amen.
De gedichten bewegen zich in die ruimte: niet voorbij aan wat pijn doet, maar erdoorheen, zoekend naar sporen van Gods aanwezigheid.

Een sterk geloofshart, gecombineerd met een diepe passie voor zowel poëzie, literatuur als theologie. Dit samenspel creëert verzen die bedoelt zijn in herkenning te lezen, maar ook diepgang en hebben een mystagogisch karakter. Om je te troosten, bemoedigen en te inspireren.
1 sep 2026 14:01
Een lieveheersbeestje zont naast me op een blaadje.Zou ze weten hoe mooi ze is?Zou ze weten dat haar stippen zijn geteld?Even weerspiegelt de hemel op haar schild,zo rood als een druppel bloed.
27 aug 2026 23:54
Donderende wolken arresterende laatste zinderingen.
24 aug 2026 22:40
Nu weet je het.
22 aug 2026 13:53
Godzijdank, je bent er nog,

Schelpen tegen een oor
dragen de klank
van de branding
uit een vorig leven.
Hoor.
Hoog in de wolken
engelen zingen,
zuiver als glas,
snijdend door ijle lucht
Nemen de haastige adem weg.
Geven een vlaag
van verrukking.
Zie.
Hun noten
tuimelen naar beneden,
Breken als ijspegels
op naschroeiende aarde.
Knisperen als vertrapte schelpen
op pad terug naar zee.
Weerklinkt,
als een echo,
de Waarheid
die voor ons brak
300726

Soms verliezen landkaarten hun lijnen.
Verschuift het noorden.
De weg
vouwt zich om
zonder overleg.
Bevind je je
op een kruispunt
dat niet was voorzien.
Bestemmingen
laten zich niet vasthouden.
Geen reis
blijft in de pas
van verwachting.
Voor ons
blijft Iemand
die richting bewaart.
Een Hand
niet zichtbaar,
wel leidend.
Wij
volgen.

𝙎𝙣𝙚𝙚𝙪𝙬𝙠𝙡𝙤𝙠𝙟𝙚
Wat ben je toch mooi.
Wat beweeg je lieflijk.
Klok je
op het ritme
van de winterwind,
Je hoofd
vol witte haren,
danst teder
de tijd voorbij.
Laat je niet plukken!
Wie jouw schoonheid wilt zien,
moet je laten staan
zoals je bent.

Als een turnster
op een balk
dansen de noten
over het papier.
De componist
wil ze in de pas,
hoe meer noten,
hoe meer in het gelid.
Maar de muziek
danst haar eigen weg.
Naar het hart,
waar zij beroert
en ontvlamt,
herkenning wekt
in oude werken.
De viool
draagt de melodie,
een fagot
houdt de aarde vast.
Muziek verwoord
wat woorden
niet kunnen dragen.
In klank
en beweging
wordt doorleefd
wat leeft
uit de eeuwigheid.

Valt niet als loon
op wachtende handen,
maar als regen
op open aarde.
Wat dood leek
verkanst
tot leven
In het strijklicht
van de rode avondzon
daalt
met een zachte landing
genade neer

𝗛𝗲𝘁 𝘃𝗲𝗱𝗲𝗿𝗹𝗶𝗰𝗵𝘁𝗲 𝗹𝗲𝘃𝗲𝗻
Wie licht wil leven
gaat zwaarte niet uit de weg
Vindt steeds opnieuw veerkracht,
omdat zij weet
dat in elk uur
een kiem is
waarin iets kostbaars woont.
Wat je met liefde beziet
groeit tot licht.
Aan de tijd gewogen
is het de Liefde
die ons verheft
tot leven in strijklicht
Van het
vederlicht.

𝗗𝗲 𝗹𝗶𝗲𝗳𝗱𝗲 𝘃𝗮𝗻 𝗱𝗲 𝗹𝗲𝗲𝘂𝘄𝗲𝗿𝗶𝗸
Een schaduw van de leeuwerik
valt over de stenen muur
van het hoekhuis.
Onder de thermiek levend
is zweven geen optie
voor korte vleugels.
Ze kijkt niet naar het fladderen op de muur,
maar tuurt over het weiland.
De randen van het veld zijn okergeel.
Hazen komen uit hun legers.
Een tak wipt even op en neer als ze landt,
die zij zachtjes met haar pootjes omklemt.
Ze richt haar borst omhoog.
In gedachten vliegt ze oude routes,
over de aardse lapjesdeken
van Gods schepping,
waar ze ooit zo graag overheen vloog.
Er echoot een lentelied uit haar ziel omhoog.
Zingend gaat ze zo de dag tegemoet
en weerkaatst
over de wijdsheid
van haar bestaan
een
liefdeslied

Botersla wordt sneller slap dan ijsberg
Toch vind ik het lekkerder
Liefst uit eigen tuin
Direct na het wassen op het bord
Dan zit er nog knisper in
Want zelfs als de buitenkant verlept lijkt
kropt de krop niets op
Zo houdt het hart
genoeg kracht
om samen te genieten

Iedere dag heeft genoeg aan zichzelf.
Wie zich verliest in hoe het leven er volgende maand uit moet zien,
leeft vandaag voorbij.
We mogen vertrouwen dat in elke dag
ook kracht ligt en liefde en iets dat ons tegemoetkomt.
Wie het zwaar heeft en zich niet kan vasthouden aan toekomstbeelden
Door ziekte, rouw of lijden
moet het kleine zoeken.
Een roodborstje dat even voor je raam zit.
Een arm om je heen van iemand van wie je het niet verwacht.
Een lied dat je ineens raakt.
Een glimlach van een kind in de supermarkt.
We hebben alleen het nu
Iedere dag heeft genoeg aan zichzelf

Uit de diepte
tuimelde levenslust.
Golvend en dragend
danste en deinde
zij de zilvermeeuwen in slaap.
Haar levenslied
echoot nog door zilte nachten,
raakt verre kusten aan.
Meegevoerd op de stroming
verdween zij
bij de stip aan de horizon,
sloeg ze om
brak de branding haar
in duizend stukken.
Nu liggen haar
waterscherven
als nachtspiegels
die de sterrenhemel weerkaatsen,
fonkelend achtergelaten
wachtend op
de struinende jutter
van het verlaten strand.

Zojuist beschoot de hemel me
De capuchon
van mijn gouden bodywarmer,
(die niemand mooi vindt,
behalve ik)
trok ik over mijn hoofd.
Hagelsteentjes tikten
als regen op tentdoek.
Daantje liep lager bij de grond,
alsof hij kon schuilen
door de diepte te zoeken.
Zijn nagels tippelden
helder op de stoep.
Beekwater spatte op
in korte zilveren slagen.
Zo liep ik plotseling
in een symfonie
van tikkend,
spattend,
stromend water.
Achter de donkere wolken
brak ineens licht door,
dwars
door de hagel heen.
Gaf plots de stilte
een eindslag aan de bui.