VAN VERGANKELIJKHEID NAAR VERTROUWEN

Gepubliceerd op 18 oktober 2026 om 15:49

Van vergankelijkheid naar vertrouwen

Open kerkdeuren

voor een ieder

die wil binnentreden

Een mystagogische beschouwing bij Psalm 22, 90 en 91

God gaat aan ons zoeken vooraf, ook wanneer wij Hem niet herkennen of zijn aanwezigheid niet ervaren.

De overheid en de media roepen ons op om ons voor te bereiden op mogelijke noodsituaties en noodpakketten in huis te halen. Het doet me denken aan de jaren tachtig, toen de dreiging van een atoomoorlog boven ons hing en mensen spraken over het bouwen van schuilkelders. Maar toen hadden we ook Doe Maar, die met het lied De bom een bijna fatalistische houding tegenover die dreiging verwoordde: ‘Dat zien we dan wel weer.’ Tegenover de grote angst voor de toekomst stond een zekere gelatenheid. Beide houdingen lijken me niet gezond, maar het zijn wel herkenbare, eeuwenoude manieren waarop mensen met dreiging van buitenaf omgaan.

 

Ook nu roept politieke onzekerheid bij veel mensen angst op. We willen ons beschermen, maar waartegen precies? We willen voorbereid zijn op wat mogelijk komen gaat en vooral het gevoel houden dat we nog enige controle hebben over ons bestaan. Toen de coronacrisis uitbrak, leken sommige mensen veiligheid te zoeken in kasten vol toiletpapier. Of iemand ervoor kiest een noodpakket aan te schaffen, is aan ieder persoonlijk, maar waarom klinkt er, naast alle oproepen om ons materieel voor te bereiden, niet veel vaker een oproep tot geestelijke voorbereiding?

 

Vandaag zag ik op sociale media een bijzondere oproep van een geestelijke, die ervoor pleit kerken en kapellen in Frankrijk en Italië zoveel mogelijk open te houden, waar mogelijk zelfs dag en nacht, en daarbij ook de kleine kapellen in berggebieden en dorpen niet te vergeten. Hij vraagt vrijwilligers beschikbaar te stellen, zodat er iemand aanwezig is wanneer mensen binnenkomen die behoefte hebben aan stilte, gebed of eenvoudigweg een plek om even te zijn. Hij vertelt dat hij steeds vaker mensen ontmoet, onder wie opvallend veel jongeren, die zomaar een kerk binnenlopen zonder precies te weten wat zij geloven. Sommigen vertellen dat zij eigenlijk nooit in een kerk komen en zichzelf ook niet als gelovig beschouwen.

 

Zijn antwoord is eenvoudig: natuurlijk mogen zij er zijn, zij zijn altijd welkom. Vervolgens vraagt hij of hij voor hen mag bidden, waarop zij volgens hem bijna altijd bevestigend antwoorden. Soms bidt hij voor hen, soms bidden zij samen. De geestelijke ziet in deze ontmoetingen mogelijke tekenen van een geloofsopwekking en spreekt de hoop uit dat Europa aan de vooravond staat van een nieuwe geestelijke beweging.

 

Wat zou er gebeuren als alle kerken en gemeenten die oproep zouden volgen? Als wij onze kerkdeuren zouden openen en mensen zonder voorwaarden of verwijten zouden ontvangen, zonder eerst te vragen waarom zij zo lang niet in de kerk zijn geweest, bij welke geloofsgemeenschap zij horen of wat hen precies hierheen heeft gebracht? Niet om hen ergens van te overtuigen of hun geloof te toetsen, maar eenvoudigweg om er voor hen te zijn, naar hen te luisteren en samen te bidden.

 

Wat mij hierin ontroert, is dat deze mensen niet eerst tot geloof komen om vervolgens een kerk te bezoeken, maar juist binnenkomen zonder precies te weten wat zij zoeken. Sommigen kennen de Bijbel nauwelijks, weten niet goed hoe zij moeten bidden en noemen zichzelf misschien zelfs ongelovig, terwijl zij tegelijkertijd openstaan voor het gebed van een ander. Moet een mens God dan eerst kennen om Hem te kunnen zoeken, en moeten wij de Schrift begrijpen voordat wij ons tot Hem mogen wenden?

 

Mozes had de Bijbel niet zoals wij hem kennen, maar God was er al. In het Bijbelse verhaal maakt God zich aan Mozes bekend, spreekt Hij hem aan en gaat Hij met hem op weg, niet omdat Mozes eerst alle antwoorden heeft gevonden, maar omdat het initiatief bij God ligt. Dat betekent niet dat de Schrift onbelangrijk is, integendeel, want juist daarin leren wij Gods handelen en trouw herkennen, zijn beloften verstaan en ons leven richten naar zijn wil. Daarom ontroert die eenvoudige vraag van de geestelijke mij zo: ‘Zal ik voor u bidden?’ In die paar woorden kan een ontmoeting beginnen waarvoor iemand zelf nog geen woorden heeft.

 

Psalm 90 wordt in het opschrift aan Mozes toegeschreven en laat ons luisteren naar het gebed van iemand die zich bewust is van Gods grootheid en de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan. In deze psalm staat de eeuwigheid van God tegenover de vergankelijkheid van de mens en worden wij eraan herinnerd dat onze dagen geteld zijn, dat wat vandaag nog vanzelfsprekend lijkt morgen voorbij kan zijn en dat onze gezondheid, onze kracht, de mensen van wie wij houden en onze plaats in de wereld uiteindelijk kwetsbaar blijken.

 

Hoe zorgvuldig wij ons ook voorbereiden op wat ons mogelijk te wachten staat, onze kwetsbaarheid kunnen wij niet opheffen en ons leven laat zich uiteindelijk niet volledig beheersen. Toch klinkt in Psalm 90 niet eenvoudigweg het verlangen naar meer levensjaren, maar de bede: ‘Leer ons zo onze dagen te tellen dat wijsheid ons hart vervult’ (Psalm 90:12, NBV21).

 

Wat een bijzonder gebed, waarin voor mij vooral de vraag doorklinkt hoe wij de tijd die ons gegeven wordt met wijsheid kunnen leven en kunnen ontdekken wat werkelijk van betekenis is wanneer zoveel andere dingen hun vanzelfsprekendheid verliezen. Wat zou het betekenen als wij ons niet alleen afvragen hoe wij mogelijke rampen kunnen overleven, maar ook hoe wij wijs kunnen leven met de tijd die ons gegeven is? Welke plaats geven wij daarin aan God, aan onze naaste en aan het vertrouwen dat verder reikt dan onze eigen mogelijkheden?

 

In Praying Through the Psalms van theoloog van theoloog Yohanna Katanacho, lees je haar gebeden bij onder de Psalmen, bij Psalm 90 quote ik: ‘Leer ons te leven naar de maatstaven van de hemel, want wij zijn ons bewust van onze eindigheid.’*¹

 

Dat zijn prachtige woorden die blijven hangen, omdat zij de vraag oproepen wat het eigenlijk betekent om naar de maatstaven van de hemel te leven. Wij mensen zoeken zo vaak naar zekerheid en willen begrijpen, verklaren en weten waar wij aan toe zijn, ook wanneer het om ons geloof gaat. Wij lezen de Schrift, bestuderen de Bijbel en proberen ons leven te richten naar Gods woorden, maar bij de mensen in die kapel lijkt het anders te beginnen: zij kennen de verhalen en theologische begrippen soms nauwelijks en staan desondanks open voor gebed. Zou daarin niet al iets zichtbaar kunnen worden van het verlangen naar God, nog voordat iemand kan uitleggen wat geloven betekent?

 

Verderop bidt ze: ‘Keer terug, Heer, en wij zullen terugkeren naar U.’*¹ Het zijn woorden die het hart raken, maar die bij mij tegelijkertijd een vraag oproepen, want hoe moeten wij dat terugkeren van God verstaan wanneer wij geloven dat Hij ons niet eenvoudigweg heeft losgelaten? Natuurlijk kan zo'n smeekgebed voortkomen uit een diep verlangen naar Gods ontferming, zonder dat daarmee een voorwaarde aan Hem wordt gesteld. Toch vraag ik me af of wij ons geloof niet te gemakkelijk afhankelijk maken van de wijze waarop wij Gods aanwezigheid ervaren. God hoeft niet aan ons beeld van Hem te voldoen; wij worden geroepen ons leven naar zijn beeld te richten.

 

Psalm 90 weerklinkt het diepe besef dat de mens afhankelijk is van Gods ontferming. Daarvoor megen we met mensen bidden. Wanneer ziekte hen treft, iemand van wie ze houden sterft of onrecht hun vertrouwen beschadigt, kan het geloof dat ooit vanzelfsprekend leek ineens vol vragen komen te staan. Soms raken mensen door ervaringen binnen een geloofsgemeenschap van het geloof verwijderd, niet noodzakelijk omdat zij God afwijzen, maar omdat het handelen van mensen hun beeld van Hem heeft beschadigd. Jaren later kan dan ineens de vraag terugkomen: ‘Zou God toch bestaan?’ "dan moet iemand aanwezig zijn die de handen vouwt." Stelde de kapelaan. Prachtig vooral omdat de worsteling niet ontkent wordt maar naar God gebracht wordt.

 

De Bijbel zelf laat zien dat geloof en worsteling naast elkaar kunnen bestaan. ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ Met die aangrijpende woorden begint Psalm 22, maar lees vooral de eerste twee woorden van de klaagzang: mijn God.

 

De Psalmdichter ervaart verlatenheid en begrijpt niet waarom God zo ver weg lijkt, maar blijft Hem desondanks aanspreken en richt zijn klacht nog altijd tot Degene met wie hij zich verbonden weet. Is dat niet een van de diepste geheimen van geloofsvertrouwen, dat wij ons tot God blijven wenden wanneer wij Hem niet begrijpen en dat een gebed soms niets anders is dan het uitspreken van onze verlatenheid, onze twijfel of ons verlangen?

 

In de evangelieverhalen klinken diezelfde woorden vanaf het kruis, waar Jezus in zijn lijden de openingswoorden van Psalm 22 uitspreekt. Daarmee verwijst Hij naar de Psalm waarin diepe verlatenheid wordt verwoord, maar waarin uiteindelijk ook lofprijzing en vertrouwen doorklinken. Juist daarin opent zich een diep perspectief: God blijft in Christus niet buiten onze kwetsbaarheid staan, maar verbindt zich met het menselijk lijden.

 

Marcus zegt dat Jezus' komst verbonden wordt met dienen en met het geven van zijn leven als losprijs voor velen. Henk Bakker bespreekt in zijn boek Jezus zo mooi, hoe deze woorden gelezen kunnen worden in samenhang met Jesaja 53 en de Joodse martelaarstraditie, waarin het gegeven leven een betekenis kan krijgen die verder reikt dan het lot van de enkeling.⁴ Vanuit die samenhang krijgt ook het gebed om Gods terugkeer voor ons een andere klank, omdat wij in Jezus Christus Gods beweging naar de mens herkennen.

 

Deze kennis geeft een hoopvol toekomstperspectief maakt het voor ons dus mogelijk om Gods trouw niet uitsluitend af te meten aan de mate waarin wij Hem ervaren. En te bidden voor hen die Hem zoeken en mét hen. ‘Wie Mij aanroept, geef Ik antwoord, in de nood zal Ik bij hem zijn’ (Psalm 91:15, NBV21). Lees daarin geen garantie dat ziekte, ouderdom, oorlog, geweld of onrecht bespaard zal blijven aan degene die de kerk binnentreedr, maar een uitnodiging om ook midden in de nood op God te blijven vertrouwen. "Je bent aan het goede adres wie onze deuren intreedt, onze kerk staat ooen voor jou" is het beste noodpakket wat we in maatschappelijke onrust kunnen geven.Om de kerkdeuren open te houden, trouw aanwezig te zijn en te wachten op wie binnenkomt en ontferming zoekt, zodat er iemand is die met hem of haar kan bidden.

 

Terwijl ik terugdenk aan de woorden van de geestelijke die oproept de kerkdeuren open te houden, krijgen de woorden van Psalm 90 opnieuw betekenis. Onze dagen leren tellen betekent niet dat wij voortdurend bezig moeten zijn met ons naderende einde, angstig moeten zijn. maar dat wij mogen leren leven vanuit het besef dat onze tijd ons gegeven is, dat wij wijsheid zoeken, ruimte maken voor onze naaste en ons leven proberen te richten naar Gods wil.

 

Dat vraagt om open kerkdeuren en mensen die vrijwillig wachten tot die ene bezoeker komt om samen voor te bidden. 

 

Mozes had de Bijbel niet zoals wij die vandaag kennen, maar God was er al. Wanneer vandaag mensen een kapel binnenlopen, mogen wij hopen dat zij iets ontdekken van diezelfde liefde en trouw. De mens is vergankelijk, onze kennis is beperkt en ons vertrouwen kan wankelen, maar juist daarom blijven de woorden waarmee Psalm 90 begint ons aanspreken: ‘Heer, U bent ons een toevlucht geweest van geslacht op geslacht.’ 

 

Vanuit Christus' dood en opstanding krijgt ons vertrouwen een eeuwigheidsdimensie, waardoor onze hoop verder reikt dan de angst voor het lijden in dit aardse leven. Zijn opstanding opent het perspectief op een toekomst waarin ook onze sterfelijkheid wordt geplaatst in het licht van Gods belofte van nieuw leven. Zo mogen wij onze dagen leren tellen, niet vanuit angst voor wat ons kan overkomen, maar vanuit het vertrouwen dat ons leven, hoe kwetsbaar en vergankelijk ook, gedragen wordt door Gods trouw.

 

Laten we im barmhartigheid dit troostende toekomstbeeld delen met hen die God zoeken en ze in gebed thuis laten komen.

 

Open uw deuren en bid met iedereen die binnentreedt.

________

Bronnen en verwijzingen

¹ Yohanna Katanacho, Praying Through the Psalms, gebed bij Psalm 90. Paginanummer nog te controleren. De Nederlandse citaten zijn vertalingen van de eerder aangeleverde Engelse tekst. ² Elise G. Langekeek, Mijn getijdige gebed, Psalm 90:13–17. ³ HSV Studiebijbel, toelichting bij Psalm 90, waaronder de menselijke vergankelijkheid in relatie tot de zonde. ⁴ Henk Bakker, Jezus: reconstructie en revisie, pp. 331–333. De verwijzing naar de Mensenzoon, Jesaja 53 en de Joodse martelaarstraditie is een beknopte parafrase.

Bijbelteksten Nieuwe Bijbelvertaling 2021 (NBV21), Psalm 22, 90 en 91, Genesis 3, Jesaja 53 en Marcus 10:45. 4 Makkabeeën, de martelaarstraditie rond Eleazar en de zeven broers.

👇 English below

FROM TRANSIENCE TO TRUST

A Mystagogical Reflection on Psalms 22, 90 and 91

God takes the initiative before we even begin to seek Him, even when we do not recognise Him or experience His presence.

 

The government and the media are urging us to prepare for possible emergencies and to keep emergency supplies at home. It reminds me of the 1980s, when the threat of nuclear war hung over us and people discussed building fallout shelters. Yet we also had the Dutch band Doe Maar, whose song De bom (The Bomb) expressed an almost fatalistic attitude towards that threat: “We shall deal with it when the time comes.” Alongside profound anxiety about the future, there was a certain resignation. Neither response strikes me as particularly healthy, yet both are recognisable, age-old ways in which human beings respond to external threats.

 

Political uncertainty continues to provoke anxiety in many people today. We want to protect ourselves, but against what, precisely? We want to prepare for whatever may lie ahead and, above all, retain some sense of control over our existence. When the coronavirus pandemic began, some people seemed to seek security in cupboards filled with toilet paper. Whether someone chooses to purchase an emergency supply kit is entirely a personal decision, but why, alongside all the appeals for material preparedness, do we not hear more frequent calls for spiritual preparation?

 

Today, I came across a remarkable appeal on social media from a clergyman advocating that churches and chapels in France and Italy remain open as much as possible, even around the clock where feasible, without overlooking the small chapels in mountain regions and villages. He calls for volunteers to be available so that someone is present when people enter seeking silence, prayer, or simply somewhere to be. He describes encountering increasing numbers of people, including a striking proportion of young people, who spontaneously enter a church without knowing precisely what they believe. Some explain that they rarely, if ever, attend church and do not even consider themselves religious.

 

His response is simple: of course they may come in; they are always welcome. He then asks whether he may pray for them, and according to his account, almost everyone responds affirmatively. Sometimes he prays for them; sometimes they pray together. The clergyman perceives in these encounters possible signs of spiritual revival and expresses the hope that Europe may be on the threshold of a new spiritual movement.

 

What might happen if all churches and congregations responded to this appeal? What if we opened our church doors and welcomed people without conditions or reproach, without first asking why they have been absent for so long, which faith community they belong to, or what has brought them here? Not to persuade them of anything or examine the adequacy of their faith, but simply to be present, to listen, and to pray together.

 

What moves me about these encounters is that these individuals do not first arrive at faith and subsequently visit a church; rather, they enter without necessarily knowing what they are seeking. Some are barely acquainted with the Bible, do not know how to pray, and may even describe themselves as unbelievers, yet remain receptive to another person's prayer. Must someone first know God before they can seek Him, and must we understand Scripture before we are permitted to turn towards Him?

 

Moses did not have the Bible as we know it, yet God was already there. In the biblical narrative, God reveals Himself to Moses, addresses him, and accompanies him on his journey, not because Moses has already discovered all the answers, but because the initiative belongs to God. This does not diminish the significance of Scripture. Quite the contrary: it is precisely through Scripture that we learn to recognise God's actions and faithfulness, understand His promises, and orient our lives towards His will. This is why I find the clergyman's simple question so moving: “May I pray for you?” Those few words may initiate an encounter for which someone does not yet possess the language.

 

The superscription attributes Psalm 90 to Moses, inviting us to listen to a prayer shaped by an awareness of God's greatness and the vulnerability of human existence. The psalm juxtaposes God's eternity with human transience, reminding us that our days are numbered, that what appears self-evident today may disappear tomorrow, and that our health, our strength, the people we love, and our place in the world are ultimately fragile.

 

However carefully we prepare for what may await us, we cannot eliminate our vulnerability, nor can we exercise complete control over our lives. Yet Psalm 90 does not merely express a desire for additional years of life. Instead, it offers this petition: “Teach us to number our days, that we may gain a heart of wisdom” (Psalm 90:12).

 

What an extraordinary prayer. For me, it raises above all the question of how we might live the time entrusted to us wisely and discover what truly matters when so many other things lose their apparent certainty. What would it mean if, rather than asking only how we might survive potential disasters, we also asked how we might live wisely within the time we have been given? What place do we accord to God, to our neighbour, and to a trust that extends beyond our own capacities?

 

In Praying Through the Psalms, theologian Yohanna Katanacho offers prayers accompanying the psalms. In the prayer associated with Psalm 90, we read: “Teach us to live according to the standards of heaven, for we are conscious of our finitude.”

 

These are beautiful words that linger in my mind because they raise the question of what it actually means to live according to the standards of heaven. As human beings, we so often seek certainty and wish to understand, explain, and know where we stand, including in matters of faith. We read Scripture, study the Bible, and attempt to order our lives according to God's Word. Yet for those entering the chapel, the process seems to begin differently: they may know little of biblical narratives or theological concepts and nevertheless remain open to prayer. Could something of a longing for God already be discernible in this openness, even before someone is able to articulate what faith means?

 

Later, Katanacho prays: “Return, Lord, and we shall return to You.” These words touch the heart, yet they simultaneously raise a question for me: how should we understand God's return if we believe that He has not simply abandoned us? Certainly, such a supplication may arise from a profound longing for divine mercy without necessarily imposing a condition upon God. Nevertheless, I wonder whether we too readily make our faith dependent upon the ways in which we experience God's presence. God is not required to conform to our image of Him; rather, we are called to shape our lives according to His image.

 

Psalm 90 expresses a profound awareness of humanity's dependence upon God's mercy. It is for this mercy that we may pray with others. When illness strikes, when someone they love dies, or when injustice damages their capacity to trust, faith that once seemed self-evident may suddenly become burdened with questions. Sometimes people become estranged from faith through experiences within a religious community, not necessarily because they reject God, but because the actions of others have damaged their understanding of Him. Years later, the question may unexpectedly return: “Could God exist after all?”

 

“Then someone must be there to fold their hands in prayer,” the chaplain observed. What a beautiful thought, particularly because the struggle is not denied but brought before God. Scripture itself demonstrates that faith and struggle can coexist. “My God, my God, why have You forsaken me?” Psalm 22 opens with these piercing words, but consider especially the first two words of this lament: my God.

 

The psalmist experiences abandonment and cannot understand why God seems so distant, yet continues to address Him, directing his lament towards the One with whom he knows himself to be bound. Is this not one of the deepest mysteries of faithful trust: that we continue to turn towards God even when we cannot understand Him, and that prayer may sometimes consist of nothing more than giving voice to our abandonment, doubt, or longing?

 

In the Gospel narratives, these same words resound from the cross, where Jesus, in His suffering, speaks the opening words of Psalm 22. In doing so, He invokes a psalm that articulates profound abandonment but ultimately also gives expression to praise and trust. Here a profound theological perspective emerges: in Christ, God does not remain outside our vulnerability but enters into solidarity with human suffering.

 

Mark presents Jesus' mission as one of service and of giving His life as a ransom for many. In his book Jezus, Henk Bakker offers a particularly illuminating discussion of how these words may be interpreted in relation to Isaiah 53 and the Jewish martyr tradition, in which a life given may acquire a significance extending beyond the fate of the individual. Within this framework, the prayer for God's return acquires a different resonance for us, because in Jesus Christ we recognise God's movement towards humanity.

 

This understanding offers a hopeful vision of the future, enabling us not to measure God's faithfulness solely by the extent to which we experience His presence. It also encourages us to pray for those who seek Him, and to pray with them. “He will call upon Me, and I will answer him; I will be with him in trouble” (Psalm 91:15).

 

These words should not be read as a guarantee that those who enter a church will be spared illness, old age, war, violence, or injustice. Rather, they invite us to continue trusting God even in the midst of adversity.

 

“You have come to the right place. Whoever enters through our doors is welcome; our church is open to you.” In times of social unrest, this may be the most meaningful emergency provision we can offer: keeping our church doors open, remaining faithfully present, and waiting for those who enter seeking mercy, so that someone will be there to pray with them.

 

As I reflect once more upon the clergyman's appeal to keep church doors open, the words of Psalm 90 take on renewed significance. Learning to number our days does not mean becoming perpetually preoccupied with our approaching death or living in fear. Rather, it means learning to live with the awareness that our time is a gift, seeking wisdom, making room for our neighbour, and endeavouring to orient our lives towards God's will.

 

This calls for open church doors and volunteers willing to wait, even for that one visitor who may come seeking someone to pray with.

 

When people enter a chapel today, we may hope that they will discover something of that same love and faithfulness. Human beings are transient, our knowledge is limited, and our trust may falter. Precisely for this reason, the words with which Psalm 90 begins continue to speak to us:

 

“Lord, You have been our dwelling place throughout all generations.”

 

Through Christ's death and resurrection, our trust acquires an eternal dimension, allowing our hope to extend beyond the fear of suffering in this earthly life. His resurrection opens a vision of the future in which even our mortality is understood in the light of God's promise of new life. Thus, we may learn to number our days, not out of fear of what might befall us, but in the confidence that our lives, however vulnerable and transient, are sustained by God's faithfulness.

 

Let us share this consoling vision of the future with those who seek God, receiving them with compassion and allowing them to find a spiritual home through prayer.

 

Open your doors and pray with everyone who enters.


Reactie plaatsen

Reacties

Henk
3 uur geleden

Wat een mooie en bemoedigende beschouwing! In onze kleine kerk hebben we onlangs een gebedsgroep opgericht. Hoewel we de kerk niet dagelijks open kunnen houden, willen we er wél zijn voor mensen in onze gemeenschap. Daarom zoeken we naar manieren om bereikbaar te zijn voor wie behoefte heeft aan een gesprek, gebed of een luisterend oor. Deze blog inspireert ons om samen naar zulke mogelijkheden te zoeken. Dank!
Henk en Susan Nijland

Andrew Taylor
2 uur geleden

A beautiful and thought-provoking blog. What particularly strikes me is the importance of prayer, especially in times of uncertainty. An open church offers an opportunity to pray, to be heard, and to find hope. A beautiful reflection, and certainly one worth sharing.