
De Duif
Er is iets bijzonders aan een duif. Vanuit stilstand kan hij zich met een paar krachtige vleugelslagen bijna loodrecht van de aarde verheffen naar de hemel. Hij heeft geen aanloop nodig, of muurtje om zich vanaf te laten vallen. Het ene ogenblik staat hij nog op de grond, het volgende is hij in de lucht.
Alsof de zwaartekracht hem voor een ogenblik niet meer vasthoudt. In de Bijbel heeft de duif een bijzondere plaats, met net steeds andere symboliek.
Maar altijd wijst de duif naar God, de Vader, Jezus de heilige Zoon en draagt hij zelfs de Heilige Geest.
Na de zondvloed laat Noach eerst een raaf uitvliegen. Die blijft heen en weer pendelen boven de aarde, terwijl het water langzaam wegtrekt. Als een douchetrekker die telkens opnieuw over een natte vloer wordt gehaald vliegt als het ware de raaf heen en weer. Baan na baan komt de aarde onder hem weer tevoorschijn. De raaf is de behoeder van de profeten, onzichtbaar in de nacht, ioniserend in de zon dragen ze olieachtige regenboogkleuren.
Dan laat Noach de duif uitvliegen, die aanvankelijk nog geen rustplaats vindt en moe terugkeert naar de ark. Wanneer hij later met een vers olijftakje terugkomt, weet Noach dat er vruchtbaar land is gekomen. Uiteindelijk vliegt de duif opnieuw uit en keert niet meer terug. De duif brengt bewijs van genade. Het alles verzwelgende water is gezakt.
Van de week lazen we Hosea. Ook bij profeet Hosea verschijnt verrassend genoeg een duif in het verhaal, maar hier krijgt hij een andere betekenis. Efraïm voelt zich bedreigd en zoekt politieke bescherming, nu eens bij buurland Egypte, dan weer bij Assyrië wil hij schuilen. Het volk zoekt zijn toevlucht bij politieke bondgenoten, is onrustig, reist heen en weer. Maar het zal pas rust vinden als jer zijn ware toevlucht bij God zoekt.
Daarom vergelijkt Hosea hem met een onverstandige duif, die zonder inzicht (Hosea 7:11) heen en weer fladdert tussen landen. Achter dat rusteloze heen en weer vliegen van die duif schuilt een begrijpelijk verlangen naar veiligheid. Toch klinkt in de woorden van de profeet een verdrietige vraag door: waarom zoekt het volk zijn toevlucht overal, behalve bij de God?
Een net iets ander verlangen klinkt in Psalm 55. Daar verzucht de dichter, volledig omringd door angst en verraad: ‘Had ik maar vleugels als een duif, ik zou wegvliegen en een rustplaats zoeken.’ (Psalm 55:7) Zelfs iemand die hem nabij was, heeft zich tegen hem gekeerd en een vlucht om weer verder te fladderen ontstaat. Dat vinden we logisch. Wie zich bedreigd voelt, verlangt naar een plaats waar rust is, een veilige vredige veilige omgeving. Anders dan Efraïm zoekt de dichter geen nieuwe politieke bondgenoot maar verlangt hier wel naar ontkoming. Toch legt hij wél zijn nood voor aan God.
In alle Bijbelgedeelten draagt de duif altijd iets van het menselijke verlangen naar geborgenheid. De duif is geen andere vogel door de Bijbel heen maar de betekenis is wel steeds net anders. Bij Noach vindt de duif bewijs van vruchtbare grond. Bij Hosea vliegt de duif rusteloos heen en weer zonder vinden van toevluchtsoord. Terwijl de dichter van de Psalm verlangt dat zijn vleugels hem naar een rustplaats kunnen brengen.
Bij de rivier de Jordaan verschijnt eeuwen later de duif opnieuw. Ditmaal voltrekt zich een geheel nieuwe beweging, de duif fladdert niet heen en weer maar verschijnt als Jezus door Johannes zich laat dopen. Jezus komt uit het water omhoog de hemel opent zich en daar daalt de Geest van God als een duif op Hem neer. Van boven naar beneden. De dalende duif in de vorm van een kruis is drager van de Heilige Geest.
Dan klinkt de stem van de Vader: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’ (Matteüs 3:16–17) Wat een wonderlijke omkering. Hier is het niet de mens die zich een weg naar God probeert te banen. God zélf openbaart zich in de weg door zijn Zoon.
Juist die beweging raakt ons. Gods nabijheid is niet afhankelijk van ons vermogen om de juiste plaats te ontdekken. Zij gaat aan ons zoeken vooraf. Geen enkele gemeenschap, hoe waardevol ook, is de oorsprong van Gods aanwezigheid of eindpunt. De ware schuilplaats is God zelf.
De duif die de Heilige Geest schenkt geeft ons Zijn Vrede. Het is de Vrede van de Vredevorst, een bestaan dat zijn grond vindt in de verbondenheid met God. Een heelheid die niet ontstaat doordat alle omstandigheden eindelijk naar onze wens zijn of mensen je een thuis geven, maar doordat wij ons gedragen mogen weten, ook wanneer het leven onrustig blijft en thuis zijn bij Hem. Ons ware en enige toevluchtsoord is God zelf.
Zo lezen we dat Gods nabijheid niet het eindpunt is van onze zoektocht maar ook het begin van ons ontvangen.
Reactie plaatsen
Reacties