
GELOOFSTWIJFEL
Johannes was familie van Jezus en hun levens zijn vanaf het allereerste begin met elkaar verbonden. Hun moeders, Maria en Elisabet, zijn familie. Wanneer Maria de blijde boodschap met Elisabet komt delen, springt Johannes van vreugde op in de schoot van zijn moeder. Jaren later staat Johannes bij de Jordaan, waar hij mensen oproept tot bekering en hen doopt. Ook Jezus komt naar hem toe en laat Zich door Johannes dopen. Johannes ziet de Heilige Geest op Jezus neerdalen en getuigt van wie Hij is. Hij heeft Jezus van Nazareth heel goed leren kennen en weet hoe bijzonder Hij is.
Als Johannes eenmaal ten onrechte gevangen is genomen, dringt zich bij hem een indringende, kritische vraag op: “Bent U Degene Die komen zou, of moeten we een ander verwachten?”
Dat is opmerkelijk. Johannes weet van de wonderen die Jezus verricht onder armen, zieken en melaatsen, onder mensen die leven aan de randen van de samenleving. Hij heeft Jezus herkend als de Messias die de profeten al eeuwenlang hadden aangekondigd. Zijn vraag vanuit de gevangenis betekent daarom niet zonder meer dat zijn geloof in Jezus verdwenen is. Er ontstaat spanning tussen wat Johannes over de Messias verwacht en de werkelijkheid die hij op dat moment om zich heen ziet.
Johannes kent de Thora en de profeten. Hij weet van de verwachting van een Messias die als Koning zal regeren, recht zal brengen, herstellen wat gebroken is en Gods heerschappij zichtbaar zal maken. Maar vanuit zijn gevangenis ziet hij iets anders. Het land gaat nog altijd gebukt onder Herodes en Johannes zelf zit ten onrechte gevangen. Hoe verhoudt die werkelijkheid zich tot Jezus als de beloofde Messias?
Johannes kan niet zelf naar Jezus toe. Daarom vertrouwt hij zijn vraag toe aan anderen en vraagt hij hen ermee naar Jezus te gaan. Zij kunnen zijn vraag niet voor hem beantwoorden, maar ze kunnen haar wel naar Jezus brengen.
Wat doet Jezus? Hij wijst op wat er al gebeurt en laat de boodschap overbrengen dat blinden zien, verlamden lopen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt en aan armen het goede nieuws wordt verkondigd. Voor Johannes, die de profeten zo goed kent, moeten dat herkenbare en, vermoed ik, bemoedigende woorden zijn. In Jesaja klinkt immers al het visioen van blinden die zullen zien, doven die zullen horen, verlamden die zullen springen en armen aan wie het goede nieuws wordt gebracht.
Jezus legt de profeten als het ware naast Zijn eigen daden. Herodes regeert nog en Johannes zit nog steeds gevangen, maar tegelijkertijd worden in Jezus de tekenen zichtbaar van het Koninkrijk dat de profeten hadden aangekondigd. Johannes kan bovendien nog niet zien wat wij achteraf wel kunnen zien: het kruis en de opstanding liggen nog vóór hem. Juist daarin komt voor het christelijk geloof iets beslissends aan het licht. De vraag van Johannes blijft daarmee ook onze vraag: “Bent U Degene Die komen zou?” Ons geloof wijst uiteindelijk naar de opgestane Christus.
Ook om mij heen hoor ik kritische vragen en geloofstwijfel. Waar is God wanneer kinderen lijden? Waar is God wanneer er oorlog, ziekte of onrecht is? Net als Johannes kijken wij naar de werkelijkheid die voor onze ogen ligt en proberen wij die te rijmen met Gods beloften.
De Bijbel laat zien dat zulke vragen binnen het geloof gesteld mogen worden. Jezus veroordeelt Johannes niet om zijn kritische vraag. Hij geeft hem antwoord. Dat vind ik misschien wel het belangrijkste: we hoeven vragen en twijfel niet te veroordelen, maar mogen kijken wat we ermee doen.
Daarin vind ik het bijzonder dat Johannes zijn vraag niet alleen hoeft te dragen. Hij kan zelf niet naar Jezus toe en vertrouwt zijn vraag daarom toe aan anderen. Zij brengen haar naar Jezus en keren met Zijn antwoord terug. Misschien ligt daarin wel een prachtig beeld van wat wij als broeders en zusters voor elkaar mogen betekenen. Wanneer iemand zelf even niet verder kan kijken, kunnen anderen de vraag helpen dragen, ermee naar Jezus gaan en samen zoeken naar wat Hij antwoordt.
Zelf ben ik verrijkt met een onwankelbaar geloof, maar juist daarin voel ik de taak hen die soms wankelen zonder oordeel te helpen en hun vragen weer op Jezus te richten. Ik ben vroeger zelf wankelbaar geweest en heb mij zelfs van God afgekeerd. Daarom weet ik hoe leeg, hol en richtingloos een leven zonder God kan zijn.
Ook ik heb in mijn leven veel onrecht gezien en meegemaakt, u vast ook. Juist daarom vind ik het een enorme, bijna bevrijdende troost dat gerechtigheid en genade elkaar in Jezus ontmoeten. Het onrecht wordt niet ontkend of kleiner gemaakt dan het is. Tegelijk krijgen wij niet de opdracht zelf het laatste oordeel uit te spreken.
Wie onrecht doet, zal zich uiteindelijk tot Hem moeten verhouden, maar dat geldt voor ons allemaal. Het oordeel mogen we aan Hem overlaten, terwijl wij zelf geroepen zijn de weg van vergeving te gaan.
Jezus was er al voor Johannes en is er nu en Hij zal er zijn. Het kwaad heeft niet het laatste woord en ook de dood heeft niet het laatste woord. Gerechtigheid zal het laatste woord hebben.
Copyrights 2026: Anton van Kruisberg

ππππ§πππ©π‘ππ―ππ£π ππ£ π«ππ§πππ§π π«ππ§ππππ₯ππ£π
π·ππ§π ππ£πππππππππ πππ‘π π‘πππ ππππ ππππππππππ π£ππ βππ‘ πππππππππππ π£ππ π·πΈ πππ π’ππ‘ ππππ πΊππ‘ππππππππππ: 'π΅πππππ ππ βππ‘ πππ‘ππ π£ππ ππ πππ' π£ππ πΈπππ π πΊ. πΏπππππππ, πππ‘ πππ ππβππππ‘πππ§πππ πππ‘π‘βππ’π π·π·:πΈ–πΌ.
πππππππ π£ππππππππππ ππβππππ‘πππππππ‘ππ:
πππ‘π‘βππ’s πΉ:π·πΉ–π·π½, πΏπ’πππ π·:πΉπΏ–πΊπ», πΏπ’πππ π½:π·πΎ–πΈπΉ, π½ππ πππ πΏ:π»–πΌ, π½ππ πππ π·π·:π·–π·πΆ, π½ππ πππ πΈπΏ:π·πΎ–π·πΏ,
π½ππ πππ πΉπ»:π»–πΌ, π½ππ πππ πΌπ·:π·–πΈ ππ π·πππππ π½:π·πΉ–π·πΊ.
Aanbeveling boek
Reactie plaatsen
Reacties
Krachtige boodschap! Mooi.
Ik lees je stukjes bijzonder graag. Bedankt voor je inspirerende teksten.
Elisabeth (uit Utrecht)