
Wie is de eigenaar van jouw hart?
πΈππ ππ£πππππππππ ππππ ππππππππππ π£ππ π»ππππππππππ π·πΌ:π·πΊ; π· πΎπππππ‘βπ πΉ:πΌ; π· πΎπππππ‘βπ π»:πΏ-π·πΉ; πππππ’π πΈ:π·π»-π·π½; πΏπ’πππ π»:πΈπΏ-πΉπΈ.
Onze gezinssamenstelling is kerkelijk nogal onconventioneel. Ik ben Baptist, mijn man gelooft (nog) niet en onze zoon Jeroen is Rooms-Katholiek.
Dat roept regelmatig vragen op. Mij wordt gevraagd hoe ik mijn geloof belijd en levend houd terwijl mijn man niet gelooft. Jeroen krijgt weleens de vraag hoe hij het vindt dat zijn moeder niet katholiek is. Willem hoort juist: "Hoe is het om met zulke gelovige mensen te leven?" Drie verschillende vragen, maar ze leiden allemaal naar dezelfde kern.
Wie bepaalt eigenlijk of iemand gelooft?
Soms worden die vragen uit oprechte belangstelling gesteld. Soms klinkt er ook een oordeel in door. Hoe kan iemand die openlijk over zijn geloof schrijft, theologische columns publiceert, in landelijk kerkelijk bestuur zit en zo bewust met de Bijbel bezig is, getrouwd zijn met een man die niet gelooft? Er is zelfs weleens tegen mij gezegd dat mijn geloof dan wel "voor de bühne" zal zijn. Maar mijn antwoord is eigenlijk altijd hetzelfde.
Ik stel een wedervraag: "Wie is de eigenaar van jouw hart?" Die vraag brengt het gesprek terug naar de kern. Want uiteindelijk ben ik niet de eigenaar van het geloofshart van mijn man. Net zomin als iemand anders de eigenaar is van het mijne. Juist daarom raakt de beschrijving van Lucas in Handelingen 16:14 mij zo diep. Paulus verkondigt het evangelie. Lydia luistert. En Lucas schrijft niet dat Paulus haar overtuigde, maar: "De Heere opende haar hart."
Dat verandert mijn kijk op geloof en op mensen. Wij spreken vaak over mijn geloof, mijn bekering of mijn keuze voor Christus. Natuurlijk heeft ieder mens zijn eigen geloofsverhaal, zijn eigen weg met God. Het is mooi om elkaar daarin te bemoedigen en terug te kijken op de momenten waarop ons geloof groeide of verdiept werd.
Maar Handelingen legt het accent ergens anders. Lucas legt het zwaartepunt niet bij Paulus, maar bij God. Paulus verkondigt, Lydia luistert, de Heere opent haar hart. Misschien is dat wel een van de meest bevrijdende lessen uit dit gedeelte.
Wij zijn niet de eigenaar van het geloofshart van een ander. Wij kunnen niemand tot geloof praten. Wij kunnen ook niemand bij God vandaan praten. Wij mogen liefhebben, getuigen, luisteren, bidden en aanbidden. Wij mogen de Bijbel bestuderen en uitnodigen aan tafel te komen mee ontdekken. Maar het openen van een mensenhart is nooit ons werk geweest. Dat is Gods werk.
Juist dat besef maakt nederig. Het bewaart ons ervoor om over de echtheid van het geloof van een ander te oordelen. Alleen de Heere kent het hart. Alleen Hij weet welke strijd iemand voert, welke vragen iemand meedraagt en welke weg Hij met iemand gaat. Het bijzondere is dat juist de gesprekken met mensen die niet geloven mijn eigen geloof vaak verdiepen. Hun kritische vragen dwingen mij om opnieuw na te denken over waarom ik geloof wat ik geloof.
Ze scherpen mijn denken en brengen mij steeds weer terug naar de Bijbel. Niet omdat ik bang ben mijn geloof te verliezen, maar juist omdat ik telkens opnieuw ontdek hoe stevig het fundament onder mijn geloof is. Regelmatig hoor ik christenen zeggen dat je je vooral met gelovigen zou moeten omringen. Daarbij wordt soms verwezen naar Paulus.
Als we Paulus brief naar de Korinthiërs lezen, maakt hij een belangrijk inzichtgevend onderscheid. Paulus heeft het niet over ongelovigen buiten de gemeente, maar over mensen die zich christen noemen en toch bewust in zonde blijven leven.
Sterker nog, hij schrijft: "Anders zou u uit de wereld moeten gaan." Dat sluit naadloos aan bij het voorbeeld van Jezus. Hij at met tollenaars en zondaars en kreeg daar kritiek op. Zijn antwoord was veelzeggend: "Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken."
Jezus keurde de zonde niet goed, maar Hij zocht de mensen juist op. Niet om Zich van hen af te zonderen, maar om hen Gods liefde en genade te brengen. Niemand van ons staat boven een ander. Wij hebben allemaal Gods genade nodig. Wie in Christus gelooft, mag weten dat zijn zonden vergeven zijn en dat hij door God rechtvaardig is verklaard. Juist daarom kijken wij niet neer op anderen, maar ontmoeten wij hen met dezelfde genade die wij zelf hebben ontvangen.
Misschien is dat ook wel de reden dat ik zoveel houvast vind in de woorden van Paulus: "Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft de groei gegeven." Zijn woorden die naadloos aansluiten bij Handelingen 16.
Paulus verkondigde het evangelie. Lydia luisterde. De Heere opende haar hart.
Dat is een bevrijdende gedachte. Ík hoef niemand te overtuigen. Ik hoef niemand te veranderen. Ik mag zaaien, liefhebben, luisteren, bidden en, als daarom gevraagd wordt, getuigen van de hoop die in mij leeft. Maar de groei? Die is van God.
Misschien is de belangrijkste vraag daarom niet hoe sterk het geloof van een ander is. De belangrijkste vraag is: vertrouw ik God genoeg om Hem het werk in een mensenhart toe te vertrouwen? Want uiteindelijk is er maar Eén die een mensenhart opent. "De Heere opende haar hart." Dat gold voor Lydia. En dat geldt vandaag nog steeds.
God opent niet alleen een mensenhart, Hij neemt er ook woning. Door Zijn Heilige Geest woont Christus in allen die Hem toebehoren. In de Bijbel is het hart het centrum van ons bestaan, de plaats waar het geloof woont en waar Christus door Zijn Geest woning maakt. Daarom is het hart uiteindelijk niet de plaats waar wij zelf de regie voeren, maar waar God wil wonen en regeren. Wie Hem toebehoort, mag weten dat hij niet langer van zichzelf is, maar het eigendom van Christus. Daarom is er uiteindelijk maar Eén die met recht de Eigenaar van ons hart genoemd kan worden: God.
Wij worden geroepen het Evangelie te delen. Tegelijk weten wij dat voor alles een tijd is. Ook Gods werk in een mensenhart voltrekt zich op Zijn tijd. Daarom mogen wij trouw zaaien en het verdere werk met vertrouwen aan Hem overlaten.

Reactie plaatsen
Reacties