
De verliesbalie
Stel je voor dat er een balie zou zijn voor de lost and found in de hemel. Een plek waar je naartoe gaat en zegt: “Ik ben Mees kwijt,” en dat er iemand tegenover je zit die het systeem opent en rustig zegt: dat komt vaker voor, we gaan even voor u kijken. Momentje, dan haal ik hem even voor u op. Misschien zelfs met de toevoeging dat je even met hem mag spreken, maar dat hij daarna weer terug moet.
Als kind vond ik dat een geruststellende gedachte. Hulp bij herkenning. Ik weet nog hoe ik huilde toen mijn oma overleed. Ik was zes en bang dat ik haar over tachtig jaar niet meer zou herkennen in de hemel. “Je ziel kent haar, en zij jou,” zei mijn moeder. Die woorden zijn gebleven. De vraag ook.
Want hoe werkt dat dan? Als wij sterven en een nieuw lichaam ontvangen, niet meer hetzelfde en toch ook niet iemand anders, hoe herkennen wij elkaar dan? Ik merk dat ik soms bijna overbewust probeer mensen in mij op te nemen, alsof ik ze moet opslaan voor later, zodat ik ze straks kan herkennen.
De Schrift keert dat denken om. Paulus schrijft dat wij nu ten dele kennen, maar straks ten volle, zoals wij zelf gekend zijn. Dat betekent geen verlies van herkenning, maar een verdieping ervan, weg van oppervlakkig naar wezenlijker gerichtheid. Alles wat nu vertroebelt (uiterlijk, leeftijd, vormen, alles wat wij als houvast gebruiken) valt weg en maakt plaats voor een kennen dat niet afhankelijk is van wat wij zien, maar van wat Waar is.
Daarmee wordt ook zichtbaar hoezeer wij geneigd zijn ons vast te klampen aan het zichtbare, alsof daarin onze identiteit ligt. Alsof herkenning afhangt van hetzelfde gezicht, dezelfde vorm, dezelfde versie van onszelf. Terwijl wij onszelf al kunnen vergissen op een foto van vroeger. "Was ik dat?" Als dat al gebeurt, kan herkenning nooit uitsluitend in uiterlijk gelegen zijn. Dan moet er iets diepers zijn, iets wat niet verandert, niet vervormt en niet verdwijnt.
Daar ligt de wending van aards naar Goddelijk. Het Koninkrijk van God kent geen bezoektijden, geen tijdelijke nabijheid die weer wordt afgenomen, geen moment van zien gevolgd door opnieuw moeten missen. Wie leeft vanuit geloof, leert een andere beweging: van claimend vasthouden naar toevertrouwen, van op-eisend naar ontvangend. Geduld en vertrouwen worden de ruimte waarin liefde blijft bestaan, ook wanneer wij nog niet zien wat wij hopen.
De Bijbel wijst ons die richting aan: een kennen dat niet gezocht hoeft te worden, maar gegeven is. Geen reconstrueren, maar herkennen. Zien zoals wij zelf gezien zijn.
Dus is er geen verliesbalie in de hemel waar gevraagd moet worden of iemand gevonden is. Maar een werkelijkheid waarin niets verloren kan raken, omdat alles en iedereen ten volle al gekend en aanwezig ís. Daar ligt zo een diepe troost: dat wij niet hoeven vast te houden om niet te verliezen, maar mogen toevertrouwen aan God, in het vertrouwen dat wat bij Hem is niet verdwijnt, maar blijft in een kennen dat ons te boven gaat. Wanneer het moment komt, is er geen zoeken meer nodig, alleen dat stille, zekere weten: jij bent het.
Reactie plaatsen
Reacties