Vandaag dacht ik na over hoe reactief we soms zijn. Hoe snel we elkaar corrigeren. Hoe gemakkelijk we de moraal vasthouden aan de ander. Je kent het vast wel. Soms spreek je een andere gelovige en die klinkt alsof de Bijbel vooral bedoeld is om uit te leggen hoe het hoort, hoe geleerd moet worden, hoe dit of dat beter kan. En je begrijpt het al, hij/zij kan bij uitstek dan vertellen hoe "de Bijbel ons leven wil zien." ik merkte hoe dicht dat eigenlijk ligt bij wat Amos juist niet wil dat we doen. Amos spreekt de gelovigen aan die denken het wel te weten.
Niet het vergeten van God, maar het zeker weten dat je goed zit is waar Amos tegen donderpreekt. Het reflexmatige reageren, het morele gelijk paraat hebben in gesprekken, zonder werkelijk te luisteren naar wat er onder dat gedrag, die woorden, die spanning schuilgaat. Alsof waarheid vooral iets is wat je toepast op een ander, en minder iets wat je eerst laat werken in jezelf.
Misschien is dat wel een van de meest verraderlijke vormen van religiositeit: dat we zo bezig zijn met het juiste zeggen, dat we het juiste leven uit het oog verliezen. Dat we reageren in plaats van onderscheiden. Corrigeren in plaats van dragen. Juist daar, denk ik, raakt Amos ons opnieuw. Niet omdat hij ons leert hoe we anderen moeten aanspreken, maar omdat hij ons stilzet bij de vraag of ons geloof nog verbonden is met werkelijkheid. Met hoe we omgaan met macht, met kwetsbaarheid, met onrecht, en met elkaar.
Amos spreekt niet tot mensen die God vergeten zijn, maar tot mensen die denken dat zij goed zitten.
De eredienst functioneert. De feesten worden gevierd. De offers worden gebracht. Juist dáár klinkt Gods afwijzing het scherpst. “Ik haat, Ik versmaad uw feesten… laat het recht stromen als water.” Dit is geen aanval op liturgie, maar op liturgie zonder werkelijkheid. Amos ontmaskert een geloof dat netjes georganiseerd is, maar losgezongen van recht, barmhartigheid en waarheid in het dagelijks leven.
Geen randfiguur, maar kernkritiek
Amos is geen sociale activist avant la lettre. Hij spreekt vanuit het verbond. Zijn aanklacht raakt de kern: een samenleving die God belijdt, maar Zijn karakter niet weerspiegelt. Recht is verworden tot een middel voor de sterken. De armen worden vertrapt, niet per ongeluk, maar structureel. Daarom is Amos zo radicaal: niet omdat hij overdrijft, maar omdat hij precies benoemt wat er gebeurt wanneer geloof functioneel wordt in plaats van relationeel. God laat Zich niet gebruiken. Wij dienen God! Wat Amos genadeloos duidelijk maakt: God is geen sluitstuk van onze systemen. Hij laat Zich niet legitimeren door religieuze correctheid terwijl onrecht ongemoeid blijft. De beroemde woorden over recht en gerechtigheid zijn geen poëzie, maar een goddelijke eis.
Niet: doe er ook nog wat recht bij.
Maar: zonder recht is alles leeg.
Oordeel als laatste vorm van waarheid. Het oordeel in Amos is geen driftbui, maar consequentie. Ookal wordt hij de donderprofeet genoemd, maar Amos laat zien dat wanneer waarheid structureel wordt weggedrukt, wanneer waarschuwingen genegeerd worden, er een punt blijft waarop God zegt: nu is het genoeg. Niet om te vernietigen, maar om te stoppen wat mensen zelf niet meer kunnen of willen stoppen. Amos eindigt dan ook niet in wanhoop. Juist na de ontmaskering klinkt het visioen van herstel: een herstelde hut van David, vruchtbaarheid, toekomst. Maar die hoop komt na de waarheid, niet ervoor. Geen pleister, maar genezing.
God zoekt geen correcte eredienst zonder recht, maar een leven dat Zijn karakter draagt en weerspiegelt, ook wanneer dat confronterend is.
Wie anders leest, kan de neiging krijgen om scherpte te verwarren met legitimatie. Alsof profetisch spreken automatisch betekent dat je anderen mag aanwijzen, beoordelen of ontmaskeren. Maar juist daar zet de Schrift zelf een duidelijke grens. Paulus is daar in Romeinen opvallend helder over. “Wie bent u dat u een andermans huisknecht oordeelt?” (Rom. 14:4). Dat is geen oproep tot vaagheid of relativisme, maar een scherpe herinnering aan plaatsbepaling. Wie oordeelt over andere gelovigen, schuift ongemerkt op richting een positie die hem niet toekomt. Niet omdat waarheid niet bestaat, maar omdat waarheid nooit het bezit wordt van degene die haar hanteert tegen de ander. Ook Jezus corrigeert die reflex. In Lucas 9 willen zijn leerlingen vuur laten neerdalen op wie niet meewerkt. Het klinkt vroom, daadkrachtig zelfs. Maar Jezus wijst hen terecht. Niet omdat onverschilligheid beter zou zijn, maar omdat religieuze felheid gemakkelijk overslaat in zelfrechtvaardiging. Scherpte zonder onderscheid wordt destructief, ook wanneer zij zich op God beroept.
Dat raakt aan hoe we Bijbellezen. Aan hermeneutiek, maar ook aan houding. Wanneer iemand een Bijbeltekst anders leest dan jij gewend bent, of iets ziet wat jouw vaste kader verstoort, is de eerste vraag niet: klopt dit wel? maar: hoe kom jij hierbij? Wat zie jij in de tekst? Welke weg ben jij gegaan? Waarom lees ik hem anders? Die vragen openen ruimte, ruimte voor Jezus in het gesprek. Niet om waarheid te verdunnen, maar om haar in diepte te laten werken. De Schrift vraagt niet om snelle conclusies, maar om luisterende aandacht. Om het vermogen om je eigen lezing tijdelijk tussen haakjes te zetten, zonder haar meteen prijs te geven. Misschien is dat wel de scherpste oefening waartoe Amos ons oproept: niet om harder te spreken, maar om eerlijker te onderscheiden. Niet om anderen uit te sluiten, maar om onszelf te laten aanspreken. Want profetische scherpte richt zich op onrecht en afgoderij en niet op het dis/kwalificeren van broeders en zusters.
De Bijbel is radicaal scherp, ja.
Maar ook radicaal duidelijk. Amos laat dit zien.
Juist daarom vraagt hij om een lerende houding te houden ten opzichte van elkaar en je eigen geloof keer op keer te verdiepen. In de antwoorden vinden we Jezus, daarvoor moeten we vragen. Net als God ons voor ging, juist de bekende weg te bevragen "Waar ben je Adam?" Leidt ons naar Hem. Adam vond zich verwijderd van God. Al dacht hij dichtbij te zijn. Wie vraagt houdt zijn geloof scherp. Blijft nederig. 'In geloof zijn we allemaal beginneling' zei iemand me eens.
Leerling zijn. Niet als zwakte, maar als een oefening in gehoorzaamheid.
04012026 Geschreven door Ruth Kruijshoop: Genesis 3:9 / Amos 5:21-24 / Lucas 9:51-56 /· Romeinen 14:1-12
Reactie plaatsen
Reacties