De zalving van Jezus
Koningschap dient aan
Overdenking over Johannes 12:1–8
Mattheüs 26:6–13
Marcus 14:3–9
Vandaag staan we stil bij een scène die schuurt: een vrouw die olie over Jezus uitgiet en een stem die dat verspilling noemt.
Het is een woord dat op het eerste gezicht begrijpelijk lijkt. De olie vertegenwoordigt een enorm bedrag. De gedachte ligt voor de hand: dit had anders gekund, beter besteed, nuttiger ingezet.
En toch wringt het.
Want wat hier gebeurt, laat zich niet vangen in die redenering.
Het is pijnlijk om te lezen het woord dat hier gebruikt wordt (door Judas,) "verspilling' is niet onschuldig. In het Grieks staat er apōleia. Dat betekent niet alleen zonde van het geld of inefficiënt gebruik. Het betekent ondergang, verloren gaan, iets dat tenietgaat. Judas zegt dus niet alleen dat dit onverstandig is. Hij zegt in feite: dit is zinloos verlies, iets zonder blijvende waarde.
Precies daar gaat het fundamenteel mis.
Wat Judas zegt, is op zichzelf niet vreemd. Hij ziet de waarde, hij maakt een afweging, hij koppelt het aan iets goeds. En toch wordt hij misleid. Niet omdat hij het slechte kiest, maar omdat hij denkt dat hij het goede ziet. Juist daarin zit de verblinding.
Hij kijkt, maar hij herkent niet.
Hij redeneert vanuit een context van achterdocht, en Judas mist het moment en stelt zich op als een soort klokkenluider. Wat dit moment zo indringend maakt, vind ik, is dat niemand hem corrigeert. Terwijl hier geen kleine vergissing wordt gemaakt. Alleen de vrouw lijkt te begrijpen wat er gebeurt.
Ook mij is het direct duidelijk zodra het Woord zich opent hier lees je: hier vindt een zalving plaats tot koning. Nee nog groter. Een voorbereiding op de verhoging tot Koning der koningen, die juist de weg van vernedering zal gaan.
Het perspectief van Judas wordt niet gecorrigeerd, terwijl de discipelen weten op te moeten passen voor dwalingen. En toch kan een verkeerde blik in zo'n groep dicht bij Jezus blijven liggen en wortelen. Judas besluit dat Jezus een uitbater is die zich voordoet als Messias en besluit hem uit te leveren aan de Romeinen. Niet omdat die overtuigend waar is, maar omdat die overtuigend klinkt in hemzelf.
Daar gebeurt iets wat dieper gaat dan een misverstand. Want hier wordt niet alleen een daad verkeerd beoordeeld, hier wordt Jezus zelf verkeerd gezien. Alsof Hij iemand is naar wie je kijkt in termen van nut, van verdeling, van wat het meeste oplevert. Alsof je kunt bepalen wat wel en niet gepast is om aan Hem te geven.
Maar er kan niets verspild worden aan Jezus.
Wat aan Hem gegeven wordt, valt nooit buiten de werkelijkheid van God. Het raakt niet zoek en verliest geen waarde, nooit. Het wordt opgenomen in wat Hij aan het doen is, ook wanneer wij dat niet kunnen plaatsen.
Daarin zit een scherpe schurende ironie. Judas noemt deze daad apōleia, ondergang, verloren gaan. Terwijl juist hij zelf op weg is naar datzelfde woord. Hij noemt aanbidding zinloos verlies, terwijl hij zelf niet ziet wat werkelijk verloren dreigt te gaan.
Daarom grijpt Jezus zelf in en corrigeert hij Judas woorden. Niet door een discussie te voeren, maar door eenvoudig te benoemen wat waar is.
"Zij heeft een goed werk aan Mij verricht."
Met die woorden haalt Hij het hele gebeuren weg uit de sfeer van berekening. Hij plaatst de zalving terug waar die hoort: als erkenning van wie Hij is.
Maar Judas accepteert de correctiet niet, is van Jezus al afgekeerd. Maar daar staat die vrouw. Zonder uitleg heeft ze Christus woorden opgevolgd en Hem gezalfd. Zonder verdediging. Haar daad spreekt voor zich. Je leest nergens dat zij zich rechtvaardigt.
Waar anderen wegen en rekenen, geeft zij zonder woorden. Waar anderen beoordelen, bemoeien en beroddelen, herkent zij de Waarheid. Zonder het volledig te overzien, beweegt zij mee met wat God aan het doen is.
Hier wordt niets verspild.
Hier wordt een Koning gezalfd.
Misschien komen we nu wel bij de meest confronterende laag van dit verhaal. Niet alleen dat iemand zich kan vergissen, maar dat die vergissing zo dicht ligt bij wat wij zelf logisch en goed vinden. Dat wat vroom klinkt, ons juist kan verhinderen om te zien.
Het vraagt om een ander kijken. Niet alleen naar deze scène, maar ook naar ons eigen hart. Want de vraag die we moeten stellen als iemand kritisch is en het goed en populair klinkt of het wel waar is. We gaan soms te snel mee met degene die klaagt, tegenspreekt, wijst op fouten of iemand beschuldigt.
Tegelijk ligt daar ook troost in dit Bijbelverhaal. Dat een vooraankondiging op de mantelomhanging en kroning en benoeming tot Koning is.
Daar waar wij niet scherp zien, onrecht en roddel onhinderd doorgang vinden, Jezus zelf ingrijpt. Dat Hij rechtzet wat scheef groeit. Dat Hij ziet, weegt en beschermt. Dat is het vertrouwen dat blijft. Wie beweegt op het goede pad hoeft niet anderen te beoordelen, dat mogen we in de handen van Jezus leggen. De Rechtvaardige.
Reactie plaatsen
Reacties